“If tomorrow never comes”. Als morgen niet meer komt, weten de mensen om je heen dan wel wat ze voor je betekent hebben? We leven in zo’n haastige tijd, hebben zo’n drukke agenda, zijn zo individueel, dat sociale contacten soms wat ondergesneeuwd dreigen te worden. Ja, sociale wezens zijn we ook weer wel, en we doen genoeg leuke dingen met andere mensen. Maar hoe vaak zeggen we nog tegen familie of vrienden wat ze voor ons betekenen? Hoe vaak zeggen we dat we blij zijn dat ze er zijn? Hoe vaak spreek je je waardering uit? Maar ook: hoeveel oog hebben we echt voor onze medemens? Lopen we de arme zwerver die op de straat om geld bedelt met opgetrokken neus voorbij? Denken we aan en bidden we voor degenen die dat nodig hebben? Gaan we eens op bezoek bij iemand waarvan we weten dat diegene dat eigenlijk best wel kan gebruiken?
We zijn alweer over de helft met de Adventstijd. Nog maar anderhalve week tot Kerstmis. Niet alleen herdenken (en vieren) we dan dat Christus geboren werd, maar tevens staan we stil bij zijn wederkomst. De weken voorafgaand worden dus gebruikt om extra stil te staan hierbij. Ooit zal Hij wederkomen, maar wanneer..daar is de Bijbel duidelijk over. Meerdere malen worden dingen gezegd in de trant van: “Het komt u niet toe dag en uur te kennen waarop de Mensenzoon terug komt.”
Wanneer Hij wederkomt weten wij niet, en dus moeten we eigenlijk ons hele leven waakzaam zijn, het goede proberen te doen. We kunnen moeilijk zeggen als Hij terugkomt: “ja sorry, maar ik had het nu te druk, als U nou een paar dagen/weken/maanden/jaren gewacht had...”. (Zie ook mijn post van vorig jaar: Gedachten bij de Advent.) Naastenliefde is een van de voornaamste geboden. Eentje waarvan we heel hard roepen dat we moeten hebben en niet uit het oog mogen verliezen, maar ook eentje die in deze samenleving steeds verder op de achtergrond raakt. Zijn we nog wel bereid om iets van onszelf op te geven om er voor onze medemens te zijn? En als we daartoe al bereid zijn, zijn we dan bereid dat te doen ook in tijden dat we het allemaal zo ontzettend druk lijken te hebben? Of stellen we het steeds uit tot een moment dat het mogelijk wat rustiger is?
Nog anderhalve week tot Kerst. Niet veel tijd, maar toch tijd om na te denken over hoe wij tegenover onze medemens staan, wat we goed gedaan hebben en waar we steken hebben laten vallen, zowel in doen als in laten. Anderhalve week om hier eens extra bij stil te staan, en mogelijk ook om met een schone lei te beginnen, om zuiver te zijn om het feest van Zijn geboorte te vieren.
Leave a comment

geren, samen bidden, een uitleg over een Bijbeltekst door de jongerenwerker…dit alles kende ik niet. Als nieuweling werd ik met open armen ontvangen, werd ik opgenomen in de groep, als een zuster zou je kunnen zeggen. Alleen dit al heeft een diepe indruk achter gelaten.
En ja, toen zat ik daar, in de bank. Er was van te voren een inleidend praatje over de Biecht gehouden, en ik zag dat de een na de ander ging biechten. En ik wist het niet, ik wist niet wat ik moest doen. Want ja, wat moest ik zeggen, hoe wist ik wat ik fout had gedaan, en zou ik het wel durven, wat zou de priester wel niet van me denken. Toch ben ik op een of andere manier uit de bank gestapt en ben ik voor het eerste in m’n leven – ik was toen negentien – gaan biechten.
erleed besefte ik dat ik niet steeds dingen uit kon stellen. En zo ben ik lectrice geworden. Als kind had ik al vaker lezingen gedaan in de kerk: bij gezinsvieringen (al hadden we er daar niet echt veel van), na de kinderwoorddienst wanneer we op de ster voor het altaar ons verhaal mochten vertellen en eigenlijk altijd een gebedje deden, en bij mijn Vormsel. De lezing bij dat laatste was – terugkijkend – eigenlijk een best toepasselijke tekst: over de kerk als lichaam met haar vele ledematen. 